Aan de rand van een kabbelende rivier spelen Beer en Eekhoorn vrolijk samen onder de warme gloed van de avondzon. Het water glinstert goud en het riet langs de oever wiegt zachtjes heen en weer. Tussen de hoge rietstengels dansen kleine vuurvliegjes. In de verte weerklinkt het gezang van vogels en de krekels die beginnen aan hun avondconcert. Eekhoorn sprint van steen naar steen, razendsnel en vol energie, af en toe stoppend om een mooie tak of glanzende kiezel op te rapen. “Deze lijkt op een ster!”, roept Eekhoorn enthousiast. Beer glimlacht en knikt. “Dat is een mooie vondst.” Ze lachen samen.
Plots steekt de wind op. Geen briesje dat de bladeren doet ritselen, maar een stevige windstoot. Takken kraken en het riet buigt door. De geliefde oranje met blauwe das van Beer wordt losgerukt en de lucht in geslingerd. “Oh nee …”, zucht Beer, terwijl het sjaaltje verder omhoog draait. Het sjaaltje zweeft, gevangen door de wind, steeds verder weg. Eekhoorn springt meteen recht. “Kom, we gaan erachteraan!”, roept die enthousiast. Beer blijft nog even zitten. De schouders zakken omlaag. “Misschien is het te laat”, mompelt beer, “En ... ik ben moe.” Maar Eekhoorn geeft niet op. “We doen dit samen.” In die paar woorden zit iets sterks: geen twijfel, alleen vertrouwen. Zo vertrekken ze samen op tocht.
In de verte zien ze de das zweven over de rivier. Wanneer ze aan de oever komen, stapt Beer zonder aarzelen het water in. Het water spat omhoog rond de grote poten. Voor Beer voelt de rivier als een beekje, de stroming is nauwelijks merkbaar.
Maar voor Eekhoorn is dat anders. Die blijft aan de rand staan en kijkt naar het diepe, donkere water. De overkant lijkt plots heel ver weg. “Ik ben veel te klein om hier doorheen te zwemmen.” zegt Eekhoorn. Beer draait zich om en glimlacht. “Dat lukt je wel. Jij bent één van de beste zwemmers die ik ken. Ik geloof in je.” Die woorden geven moed. Eekhoorn slikt en steekt voorzichtig één poot in het water. Koud. Daarna nog één. Poot na poot en slag na slag gaat het zwemmen steeds vlotter. “Zie je wel?”, lacht Beer trots. Eens aan de overkant geven ze elkaar een natte knuffel en ze schieten allebei in de lach. Boven hen flikkeren enkele vuurvliegjes zachtjes mee, alsof zij ook blij zijn met deze kleine overwinning.
Samen trekken ze verder. Maar waarheen? De wind is gaan liggen en de das is nergens meer te zien. Ze volgen een smal pad langs de oever. Hun schaduwen worden langer en de lucht kleurt van goud naar paarsblauw. Daar, bij het water, ligt een krokodil te slapen. De lange staart ligt in het gras en bij elke ademhaling gaat de rug van de krokodil zachtjes omhoog. Beer en Eekhoorn kijken elkaar aan. "Hallo?", zegt Eekhoorn zacht. Eén oog gaat open en enkele seconden erna nog één. De krokodil rekt zich uit en geeuwt. Wanneer Beer en Eekhoorn vriendelijk uitleggen dat ze op zoek zijn naar de verdwenen das, luistert krokodil aandachtig. "Ik zag iets oranje met blauw richting het bos vliegen", zegt Krokodil. "Die kant op." Krokodil wijst met een poot richting de bomen. “Ik wandel wel een stukje mee.” "Echt?", vraagt Eekhoorn. Krokodil glimlacht. Met z'n drieën trekken ze verder, terwijl de zon langzaam wegzakt achter de bomen. Dat vindt Eekhoorn niet erg, die houdt van de avond en van de geluiden van de nacht.
Maar Beer en Krokodil worden steeds stiller. Hun stappen vertragen. Eekhoorn merkt de stilte op en moedigt hen aan. "Alles komt goed", zegt die rustig maar vastberaden. Net op dat moment verschijnen overal vuurvliegjes tussen de bomen. Eerst een paar, daarna tientallen, dan honderden. Kleine lichtjes zweven tussen de stammen, bladeren en takken van de bomen, alsof de sterren beslist hebben om naar beneden te komen. Hun zachte licht maakt de donkere weg minder spannend. Beer ademt rustiger en ook Krokodil ontspant terug. Terwijl ze verder wandelen, vliegen de vuurvliegjes met hen mee. Ze vliegen rond Krokodils snuit en soms landen ze even op de sterke schouders van Beer. Iedereen is vrolijk.
Zonder dat ze het zelf beseffen, beginnen ze te zingen. Hun stemmen vullen het bos en zo vliegt de tijd voorbij. Na een lange tocht komen ze aan bij een hoge boom. De stam is dik en oud, met wortels die als kronkelende armen in de grond steken. Helemaal bovenaan hangt iets tussen de takken. Oranje met blauw. Het is de das van Beer. "Daar!", roept beer. "Dat is hem!" Helemaal bovenaan hangt de das vast aan een tak. “Ik klim naar boven!”, roept Eekhoorn vastberaden en sprint naar de stam. Maar die zit vol scherpe doornen. “Dat lukt nooit …”, mompelt Eekhoorn teleurgesteld. Beer probeert het ook. Die gaat onder de boom staan, strekt zich zo ver mogelijk uit en maakt zelfs een klein sprongetje. Net niet. “Laat maar”, fluistert Beer moedeloos. “Misschien moeten we gewoon gaan slapen.” Eekhoorn knikt verdrietig. Ze zijn moe, nat en koud. Hun avontuur lijkt vastgelopen.
Maar Krokodil geeft niet op. Die kijkt eerst naar de boom, dan naar Beer, naar Eekhoorn en terug naar de boom. Krokodils ogen lichten op. “Misschien kunnen we samenwerken?”, stelt die voor.
Meteen verschijnen de vuurvliegjes opnieuw rondom hen, alsof ze hen willen aanmoedigen. Hun lichtjes flikkeren zacht. Beer gaat stevig staan met de poten stevig in de grond. Krokodil klimt op de beresterke schouders en rekt zich zo ver mogelijk uit. Nog net te kort. "Bijna!", roept Krokodil. Beer neemt Eekhoorn op. Voorzichtig klimt Eekhoorn bovenop Krokodil. De toren wiebelt. Een beetje naar links, dan naar rechts. Iedereen houdt de adem in. “Je kunt het!”, roept Beer. “Wij geloven in jou!”, zegt Krokodil. Eekhoorn steekt een pootje uit en voelt plots iets zachts. De das.
Op dat moment verliest Beer het evenwicht. De hele toren valt uit elkaar. Alles gebeurt tegelijk. Poten zwaaien, staarten draaien, ze roepen. Een doffe bons. Wanneer het stof van de harde klap neerdaalt, liggen ze lachend op een hoopje tussen het mos. Beer onderaan, Krokodil half gedraaid en Eekhoorn bovenop. Even is het stil. Dan begint Eekhoorn te giechelen. Krokodil lacht mee en Beer proest het uit. Ze lachen tot hun buik pijn doet. Naast hen ligt de das van Beer. De oranje en blauwe stof glanst zacht in het licht van de vuurvliegjes. Ze dansen boven hen in het donker. Als kleine sterren vieren ze mee. "Het is ons gelukt!”, roept Eekhoorn.
Beer kijkt naar de das en dan naar de vrienden naast zich. Langzaam verschijnt een warme glimlach.
Ja. Ze hebben de das teruggevonden. Maar onderweg vonden ze nog iets veel waardevollers: vertrouwen. Soms lijkt een uitdaging te groot. Soms voelt de rivier te diep, het bos te donker of de boom te hoog. Maar met vrienden die je aanmoedigen, die in je geloven en die samen zoeken naar oplossingen, geraak je verder dan je ooit alleen zou kunnen. Onder de fonkelende vuurvliegjes blijven Beer, Eekhoorn en Krokodil nog even liggen in het zachte mos.
Moe, vuil en helemaal tevreden. Samen en dat voelt precies goed.